Leen Huet

Fierheid

Ik ben dit nieuwe gevoel nog maar net aan het verkennen: een soort vreugde om tot een cultuur te mogen behoren die bepaalde zaken heeft voortgebracht. Het is een geschenk. Kortom, ik ben opeens blij een Europese te zijn.

 

Koffie uit de thermos

‘Wat is Vlaanderen voor jou?’, vroeg ik aan Astrid. Ze had twee vouwstoelen ontplooid en we zaten enigszins wankel voor de rode beuk, met uitzicht op bloeiende bosanemonen. Een specht boorde zich een weg in een schors, ergens in zuidoostelijke richting. Op mijn tocht naar de boomhut had ik lammeren in een wei gezien en een blauwe veer gevonden, van een gaai. Het jonge leven was nog maar amper uit het ei of het werd al bedreigd. Een citroenvlinder streek neer op een anemoon.

Wit

Het werk vlotte niet, de muren schoven nader. Ik besloot mijn nederlaag voor vandaag te erkennen, mijn computer af te sluiten en naar Astrid te rijden. Het was niet druk op de weg en ik beleefde zoals altijd een bijzonder genoegen aan het moment waarop het Brabantse landschap echt verandert, van mollige heuvelachtigheid naar minimalistische vlakte, van rijke akkers naar dennen in geblokte formaties. In de zomer zag ik vaak zelfs het uitspansel veranderen: ik vertrok onder schapen, ik kwam aan onder stapelwolken. Nu was de lucht eentonig grijs.

 

Sprezzatura

Astrid legde nog een blok hout in de kachel. Ik schoof dichter bij de gloed en groef mijn tenen dieper in de schapenvacht. Het regende en waaide, de muren kraakten, de kamer deinde tussen de takken van de rode beuk. Wonen in een boomhut is als wonen in een scheepskajuit. Wanneer de omgeving schommelt, schommel je mee. Je ervaart de elementen en het pikante genot van de beschutting, tegelijkertijd. Misschien dachten de bewoners van de caravans op de camping, een kilometer verderop, precies hetzelfde, in hun behuizingen van plastic en aluminium, omgeven door gammele hekken en vale tuinkabouters. Maar met hen voelde ik een vaag medelijden, terwijl Astrid in haar boomhut een idylle leek te beleven. Waarom was dat zo? In een wijsgeriger bui zou ik mijn snobisme hebben ontleed, nu leunde ik op mijn elleboog en staarde in de vlammen. Astrid pakte mokken, voor thee.

 

Herfstlucht

We zaten in de boomhut. De bladeren van de rode beuk ruisten om ons heen. Wanneer er een stilte viel, weerklonk soms de kreet van een buizerd, later op de avond het akelige geroep van een uil. Als ik me concentreerde, zo bedacht ik, dan zou ik wellicht een eekhoorn de stam horen oprennen, met licht geroffel en gekras, of een egel door het vochtige gras horen schuifelen. Maar naast het geknetter van de houtkachel overheerste een ander geluid – het onophoudelijke gezoem van auto’s over de provinciale weg. ‘Niet te geloven’, zei ik. ‘In de stad is het stiller dan op het platteland.’

Triomf

Tijdens de eerste helft van mijn leven dacht ik nooit na over economie.

 

De oogstappel

Leen Huet haalt de weerbarstige geest van Tegen de keer (Joris-Karl Huysmans, 1884) uit de fles. Ze fulmineert tegen de manier waarop men vandaag de kunsten ten dienste wil stellen van de smaak van de massa, van het voorspelbare.