Orkesten in Vlaanderen: inconvenient truths

Door op Thu Jun 16 2016 05:36:30 GMT+0000

Sinds cultuurminister Sven Gatz de opdracht gaf om ‘vergaand’ te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn inzake samenwerking tussen de Vlaamse orkesten, leeft er zowel hoop als vrees in de sector. Zal de politiek de kwaliteiten handhaven en de problemen remediëren, of gebeurt precies het omgekeerde? Als musici vinden we het belangrijk om enkele aandachtspunten scherp te stellen en meerdere constructieve voorstellen te doen.

Gaat het deze keer dan echt gebeuren? Er zijn in het verleden wel al meer onderzoeken en hoorzittingen geweest, zonder dat die noodzakelijk (constructieve) voorstellen of oplossingen hebben opgeleverd. Alleen al het aantal gewijzigde constructies die de Vlaamse Opera (nu Kunsthuis) na zulke onderzoeken onderging, zijn nog nauwelijks te tellen. Net zo min als de kosten die daar telkens bij kwamen kijken.

72_artistsunited_defilharmonie_1-c-bert-hulselmans.jpgNu bestelde Gatz een rapport bij onderzoekers Koen Vandyck en Philippe Vandenbroeck, dat op 1 maart publiek werd gemaakt onder de titel Naar een veerkrachtig Vlaams orkestenlandschap. Het vormt de slotsom van de hen toegekende onderzoeksopdracht naar ‘de technische mogelijkheden en opmaak, plan van aanpak omtrent een verregaande samenwerking en afstemming tussen drie Vlaamse Orkesten’. Het rapport werd met gemengde gevoelens ontvangen. Sommigen bestempelden het als waardevol, anderen hadden het over ‘inconvenient truths’ voor de orkesten. De klassieke tegenstanders van de grote instellingen benadrukten dan weer vooral de vele middelen voor die huizen en orkesten.

Wij musici beschouwen die middelen niet als subsidies, wel als investeringen. Er is een onbetwistbare return on investment. Orkesten en culturele instellingen dragen bij tot een betere wereld, ook budgettair: de culturele sector is de derde werkgever in Europa. Lyon, Leipzig en het Gewandhaus toonden met harde cijfers aan dat elke geïnvesteerde euro een veelvoud opbrengt. Moeten er dan niet juist meer orkesten en culturele instellingen komen? Een sterke stad heeft een sterke culturele verankering nodig. Rotterdam is fier op zijn orkest. Meer investeren in cultuur betekent meer return in de economie. Voor sommigen is dat blijkbaar ook een ‘inconvenient truth’…

Reacties op het rapport bleven niet uit. Ze liepen uiteen van een feitelijk foutieve petitie, over besprekingen in de Commissie Cultuur, tot een artikel van Bart Caron in rekto:verso, dat opnieuw fel over de tong ging. ArtistsUnited daarentegen nam de jongste maanden het initiatief om musici van verschillende orkesten samen te brengen. Voor de eerste keer in tientallen jaren discussieerden leden van alle orkesten in België samen over de uitdagingen die op hen afkomen.

Vertrek van het artistieke

Musici vinden het belangrijk dat er vertrokken wordt van een sterk artistiek verhaal. Dat principe verdedigden ze ook al in het dossier van De Muntschouwburg en het Nationaal Orkest van België (NOB), wat resulteerde in een tienpuntenplan van gezonde basisprincipes. Wat heeft men nodig om het doel te bereiken? Welk inspirerend en sterk artistiek verhaal wil men schrijven? Kan een goed orkest bestaan zonder de link met een goede zaal? Wat zijn de voorwaarden om zo’n verhaal leefbaar te maken?

Het is hoopgevend om in een schriftelijk antwoord van de minister te lezen dat hij onze mening deelt over de ‘nood aan een lange termijn perspectief waarbij een sterk artistiek verhaal cruciaal is’. Volgens Gatz was juist dat principe ook het uitgangspunt bij de opdracht voor het onderzoek: ‘Nooit eerder werd er zo intens en met een wam hart naar onze orkesten geluisterd.’ Op 21 april stelde hij in de Commissie Cultuur van het Vlaams Parlement ‘te willen komen tot een gezond levensvatbaar plan voor de sector’. Gatz wil ‘buiten de huidige kwaliteit die vandaag reeds bestaat, de lat nog hoger leggen, zonder de arbeidstevredenheid uit het oog te verliezen’. Hij brak ook een lans voor ‘natuurlijke uitwisseling’, en een grapje over ‘significante’ stappen kon er ook nog af.

Wij vonden het jammer dat er in het rapport Vandyck persoonlijke meningen over kwaliteit neergeschreven stonden.

De politiek neemt de zaak van de orkesten duidelijk serieus. Na interpellaties van de commissieleden – die over de grenzen van de partijen goed voorbereide vragen stelden – benadrukte minister Gatz het belang van afspraken tussen de orkesten, en de noodzakelijke aandacht voor dirigenten (‘muziekdirectie’). En niet onbelangrijk: er werd benadrukt dat er verschillende modellen en oplossingen mogelijk zijn, waarbij de minister stelde dat de fusiepiste in het rapport Vandyck niet ‘mijn inschatting’ is.

Wij vonden het jammer dat er in het rapport Vandyck persoonlijke meningen over kwaliteit neergeschreven stonden. Ook dat het voorbijgaat aan internationale nominaties en prijzen, zette bij de betrokken musici onvermijdelijk kwaad bloed. Dit was onnodig. ArtistsUnited schreef een genuanceerde antwoord op het rapport: ‘Naar een constructieve benadering van het orkestenlandschap’, waarvan we hieronder alvast enkele punten uitlijnen.

72_artistsunited_brussels_philharmonic-het_vlaams_radio_orkest_staand_c_carl_vandervoort.jpg

Bevorder kwaliteit en samenwerking

Er leeft een zogenaamde ‘vaststelling’ dat onze orkesten binnen Europa ‘slechts’ gemiddeld van niveau zijn. (Daarbij dient opgemerkt te worden dat een ‘gemiddelde kwaliteit’ in Europa zeer hoog is, wat in het rapport van Koen Vandyck ook staat, maar niet noodzakelijk op dezelfde bladzijde.) Vervolgens komen er twee rapporten – naast het rapport Vandyck is er ook het recente rapport Blanchard over NOB en De Munt – met een zeer gelijkaardige ‘oplossing’: een verregaand samenwerkingsmodel, om het geen fusie te noemen. Nochtans garandeert die piste op geen enkele manier dat de voorgestelde nieuwe structuren een beter dan gemiddeld niveau zouden halen. Daardoor lijkt ze op een platte besparing in een mooi jasje. De grote vrees is dat ze op de lange termijn het aanbod zullen doen afkalven, én dus ook het publieksbereik. Dat lijkt ons onverstandig: alle studies tonen aan dat een aanbod van podiumkunsten juist een positieve invloed heeft op de economie en de samenleving in het algemeen.

Om van onze orkesten betere orkesten te maken, is er meer nodig:

  1. Correcte verloning. Het is geen geheim dat het loon een zeer bepalende factor is bij zowel de aanwerving van nieuw personeel, als voor de motivatie van dat personeel op de lange termijn. Aangezien de huidige generatie jonge muzikanten bijna per definitie een masterdiploma heeft, zou je kunnen verwachten dat het loon van een orkestmuzikant op zijn minst gelijkaardig is aan een niveau A1 in de administraties van onze overheid, maar dat is op dit moment niet het geval. Ook voldoende individuele artistieke vrijheid is een bepalende factor.
  2. Correcte werkomstandigheden. Alle toporkesten repeteren in een uitmuntende concertzaal. In België zijn er maar weinig zalen die aan die norm voldoen: Bozar, Flagey, concertgebouw Brugge, hopelijk de nieuwe Elisabethzaal en dat is het zowat. Bovendien staan die zalen vaak niet of onvoldoende ter beschikking van de orkesten om correct te repeteren. Echte residenties zouden hier een oplossing bieden, maar die piste lezen we in geen van beide rapporten.
  3. Degelijk materiaal. Vandaag moeten musici vaak zelf instaan voor hun instrument. Die dure aankopen zorgen ervoor, zeker in combinatie met lage lonen, dat mensen de vernieuwing van hun materiaal vaak te lang uitstellen. In normale arbeidsomstandigheden voorziet de werkgever het materiaal dat nodig is om het werk uit te voeren, maar in België doet alleen De Munt dat, terwijl Brussels Philharmonic die nood probeert te lenigen met zijn instrumentenfonds, maar alleen voor strijkers.
  4. Goede dirigenten. Vandaag zien we dat de Belgische orkesten doorgaans met dirigenten van B-niveau werken, of zich financieel verbranden aan een topdirigent. Met topfiguren werken is echter noodzakelijk om ook het orkest op topniveau te krijgen. ‘Het orkest is de spiegel van de dirigent’: les één uit de handboeken orkestdirectie. Op geen enkele manier worden daarvoor middelen voorzien.
72_artists united_ORKEST Opera Ballet_2016_(c)FilipVanRoe.jpg

Voor een levendig orkestlandschap voor de toekomst is er nood aan:

  1. **Een nieuw business model **voor al onze orkesten. Vandaag zijn ze enkel producenten van concertproducties, waar ze vervolgens allemaal het land mee rondtrekken om dat product te slijten. Zo bekampen de orkesten elkaar op het gebied van uitkoopsommen, en worden de concerten hoe langer hoe meer deficitair. Daarom zou er veel beter ingezet worden op een ‘cohabitatie’ of ‘fusie’ tussen de orkesten en de zalen, in plaats van tussen orkesten onderling: NOB met BOZAR, Brussel Philharmonic met Flagey, De Filharmonie met de Elisabethzaal. Dan zouden die nieuwe organisaties volwaardige organisatoren worden van het totale product. Dat hoeft niet noodzakelijk enkel in de eigen zaal te gebeuren. Het is niet ondenkbaar dat een organisatie ook in een andere stad de aanbieder wordt. Combineer dat met een vriendschappelijke relatie tussen de orkesten, en al de orkesten kunnen ook optreden binnen reeksen die door een ander uitgebaat worden. Zo kan dezelfde productie verschillende keren gespeeld worden en vermijd je ook dat twee orkesten in dezelfde week hetzelfde programma spelen. Deze mix biedt een belangrijk aantal schaalvoordelen, waarmee je kosten kan besparen of de beschikbare middelen beter kan inzetten.
  2. Grotere zalen. Opera’s worden in ons land heel goed bijgewoond. Bij alle drie operahuizen is het vaak moeilijk om nog een ticket te bemachtigen. Alleen is, door de productiekost van een opera, zelfs een uitverkochte voorstelling deficitair. De beste oplossing zou de bouw van nieuwe grotere zalen zijn, denken we maar aan de visionaire ideeën van wijlen Gerard Mortier voor Gent, het operagebouw in Oslo, enzoverder. En moeten alle drie operahuizen enkel zuiver stagione werken, door de ene productie na de andere te spelen en weer af te voeren, in plaats van ze naast elkaar te programmeren over een langere periode? Men zou moeten onderzoeken of er niet ook een markt is voor repertoireopera, met mogelijke economische voordelen. Zo zou het aantal voorstellingen kunnen stijgen, en worden de economische neveneffecten voor de samenleving groter en de nood om te besparen dus kleiner. Ook daarvoor zijn grotere zalen noodzakelijk.
  3. **Een einde stellen aan de onzinnige opdeling van de sector. **Vandaag is het blijkbaar onmogelijk om over de deelstaatgrenzen heen te werken. Het NOB dat een concert speelt met als koor het Vlaams Radio Koor (VRK)? Onmogelijk. De Munt die een voorstelling herneemt in Antwerpen? Onmogelijk. Een coproductie tussen De Munt en de Filharmonie voor bijvoorbeeld Mahler 8? Onmogelijk. Een soort ‘pax musicale’ naar het voorbeeld van de ‘pax media’ zou qua productie veel meer mogelijk maken. Coproducties moeten zeker kunnen, maar daarvoor de structuren samensmelten tot één grote massa die vervolgens zijn specialisatie verliest, lijkt onzinnig.

Laat ons van het orkestlandschap dus vooral de organisatie aanpakken, en de besparing veeleer zoeken in schaalvoordelen voor de omkaderende diensten. Alleen zo kunnen we de artistieke productie en tewerkstelling op peil houden. Wij geloven in elk geval niet dat een orkestmusicus ‘de neushoorn van de sector’ is, met uitsterven bedreigd. De ervaring van live muziek blijft onevenaarbaar!