Hokus pokus frats

Soms stoot je op van die voorstellingen die al de rest in theaterland in een ander daglicht zetten. Glanzen van Lampe en De Koe werd er zo een, een paar speelbeurten na de mislukte première. Tegenover economische wetmatigheden verdedigen Claudia Schiffer en David Copperfield met veel plezier terug meer metafysica in theater. En werkelijk: een plus een maakt hier drie.

Meer dan ooit zijn de podiumkunsten een bedrijf geworden. Dat zie je alleen al aan de boom van coproducties: dé verschijningsvorm van een wereldeconomie die zweert bij flexibiliteit, just-in-time en efficiëntie van de middelen. Zo zag het Vlaamse theater zijn aantal coproducties op tien jaar tijd verzesvoudigd. Huizen en groepen zijn zakenpartners geworden, daar min of meer toe gedwongen door een beleidsdiscours rond samenwerking en omdat de subsidies hun wildgroei niet kunnen volgen. Laten we daar romantisch noch schijnheilig over doen, zoals in de sector wel eens gebeurt. Wie het luidst mekkert over artistieke autonomie, zit vaak in de meeste partnerships. Anderen, zoals Bart Meuleman in zijn State of the Union op het laatste Theaterfestival, vinden de toegenomen professionalisering, instrumentalisering en netwerkdrift van het theatrale bedrijf nefast voor de art brut, voor de artistieke noodzaak van producties. Maar draait de fabriek dan zo slecht?

Een mooi tegenbeeld biedt Glanzen, een coproductie tussen De Koe en Lampe van Pieter De Buysser, mee ondersteund door de Beursschouwburg. Op papier lijkt deze samenwerking het bovenstaande te bevestigen: om de schamele centen gaan de meest verscheiden groepen toch tegen elkaar aanschurken. Gewoonlijk kiest De Koe voor transparante stukken of zelfgepende teksten, die zo ontspannen gespeeld worden dat de lach al eens de bovenhand lijkt te hebben. De Buysser daarentegen is van nature een conceptueel maker, die met Lampe in trilogieën denkt, vetrekkend van Immanuel Kant. De kritiek van de geraakte rede tackelde in drievoud onze taal, in vreemd poëtische dialogen en met vele irreële wendingen. Zo dook telkens Lampe op, Kants gebochelde knecht. De Buyssers tweede trilogie, De kritiek van het vermogen, bevraagt — weliswaar steeds toegankelijker — abstracte thema's als macht, geld en onze potentie om iets te doen, iets te veranderen. Wat moet dit Lampe met De Koe? Wel: elke scepsis over de economische fabricage achter coproducties rigoureus (want artistiek) van antwoord dienen, zo blijkt in praktijk uit Glanzen, sluitstuk van De kritiek van het vermogen. De gemixte ingrediënten geven net veel rijkere waar, die beide partners stérkt. Niet het hoe van het theaterbedrijf wordt bevraagd, maar — veel relevanter — het wat. Wat verkopen we?

Weg met de schijn

De theaterfabriek heeft hier op scène de vorm aangenomen van een spektakelmachine: een stellage van flitsende spots, spuitgrage rookmachines en gladde kettingen waarmee op een wip het ene imposante decorstuk voor het andere gewisseld kan worden. Die machinerie blijft niet verborgen, maar toont zich ontkleed en zelfs een tikkeltje mistroostig achter een tafeltje waar hoofdpersonen Claudia Schiffer en David Copperfield het publiek zitten op te wachten. Lichtjes uitgeteld schijnen ze, totaal ontdaan van hun grandeur van supermodel en opperillusionist. Het enige wat hen van dat vermaakimago nog rest, zijn de pruiken die Sien Eggers en Peter Van den Eede op hun hoofd hebben staan. De eerste sloft naar de coulissen om een verroeste zaag en kruipt daarna stuntelig in een kaduke zwarte toverkist, terwijl de tweede er voor het publiek helemaal de brui aan geeft. 'Ik stop. Er zal vanavond geen toneel zijn. Ook al sta ik hier op scène niet in de ideale positie om zoiets geloofwaardig aan de man te brengen, toch zeg ik: genoeg, over en uit. Nooit meer kunstlicht, nooit meer aan de lopende band er zijn er zijn er zijn. Ik ben niet David Copperfield. Ik heb genoeg van al die leugens.' Van den Eede spreekt dus voor zichzelf, en geen enkele acteur kan dat zo goed als hij: met het naturel van op café. De paradox is natuurlijk inherent. De zaal overtuigend dat het écht zijn laatste voorstelling is, levert Van den Eede precies de uitgerekte aanvang van elke Koe-voorstelling, op een schijntje van het werkelijke niets. Ooit, in In den beginne, bouwde hij daar met Bruno Van den Broecke zelfs een hele voorstelling rond: spelen dat je niet speelt en ook niet zal gaan spelen. Het past bij De Koe in een consequente basisfilosofie. Theatermechaniekjes die met alle macht andermans ware psychologie proberen te vangen, vinden Van den Eede en co net zo ongeloofwaardig als het illusionistische spektakel van Copperfield. Maak de mensen niks wijs, is hun eigen verkoopslogan. Maar de ironische deconstructie van show en glitter die Glanzen aanzet, is net zo goed de dada van tekstschrijver-regisseur Pieter De Buysser. De kritiek die hij op zowat elk debat laat horen op de 'beroezing' waar bijvoorbeeld het 'rituele' theater van Wayn Traub op uit is, heeft hij hier expliciet naar de scène vertaald. Om te beginnen in de tekst. Nadat Copperfield zijn Schiffer overtuigd heeft er mee uit te stappen en met hem te trouwen, roert zij in barokke slogans de trom tegen elke vlucht in de fictie van het theaterbedrijf. 'Al de vertoningen van deze wereld, ik vermaal ze tot spijs en voed er de wereldvreemde wormen mee. De slaven van de vervreemding! De door het oog van de bedelaar getraumatiseerde theaterliefhebbers die in plaats van de wereld te verplegen voor de wereld komen schuilen in hun grotten van vermaak en verschoning.' Nog meer dan het esthetiserende Disney-spektakel van de 'Naamloze Vennootschap' waar Schiffer en Copperfield onder contract bij staan, ironiseert De Buysser het politieke theater dat hij in Vlaanderen te vaak in voorspelbare meninkjesproducties ziet verzanden. Ook zijn bekende duo wil 'iets zinvols doen, naar Congo of naar Libanon, vrijwilligerswerk waar je levens mee helpt'.

Beide machinaties van het theaterbedrijf plaatst Glanzen in een groter, aloud vraagstuk: dat van schijn en zijn, van illusie en werkelijkheid. Wat is wat? Als de wereld onwerkelijk is geworden, wat moet dan de waarheid van theater zijn? Schiffer en Copperfield vragen het zich af in hun dialogen, maar in beeld gaat de geprogrammeerde pleziermachine waarin ze gevangen zitten, gewoon door. Spots verblinden de scène onder aanzwellende schettermuziek, engelenvleugels dalen neer en een knal doet een vlucht paarse veertjes uit de lucht fladderen. Grappig genoeg levert het de beste momenten op. Willens nillens geeft ook Copperfield zelf al eens terug aan zijn ingesleten reflexen toe. Verontschuldigend goochelt Van den Eede met pingpongballetjes, een duif uit het niets en te veel flessen voor twee kokers. De verlokking van magie, je voelt ze ook als publiek.

Leve de metafysica

Op het eerste gezicht is het allemaal wat makkelijk geschoten op de vermeende uitverkoop van ons theaterfabriekje in vals vertier en inconsequente maatschappijkritiek. De Buysser en De Koe roepen twee karikaturen in het leven en knallen die dan met een knipoog af. Het politieke theater wordt tussen de lijnen verweten dat het bij zijn publiek uit is op subversieve 'daden ter verbetering en bevordering', terwijl geen enkele maker in Vlaanderen aan zijn theater zo'n doelmatigheid toeschrijft. Het is een wat vals verwijt. En over de machinaties achter het commerciële entertainment wordt Glanzen zélf moralistisch. Copperfield benoemt ze als 'een Naamloze Vennootschap zonder gezicht die alles regelt, plant en beslist voor ons, voor Fanta, voor Walt Disney, voor oorlog en vrede en voor arm en rijk'. Als dat al met een realiteit overeenkomt, dan vooral met het probleem van een linkse Europese elite (waar naast de makers ook ik toe behoor) om zich anders te legitimeren dan door haar vijand te zoeken in een vage Amerikaans-kapitalistische vervlakkingsindustrie. De Buysser laat de ouders van Schiffer en Copperfield poneren dat hun kinderen de ware keizers van deze tijd zijn, en het geschopt hebben van symptoom tot norm. Maar voor het gesubsidieerde theater (dat De Buysser mee viseert) zijn ze dat alvast niet. Hoewel de gedwongen concurrentie van het jeugdtheater met Samson en Piet Piraat al eens vaker leidt tot showgebruik, en ook de volwassen theaterklandizie steeds minder tegen de haren gestreken wordt, zie ik eigenlijk weinig linken tussen het toegenomen management in de sector (het hoe waar Meuleman zich over beklaagde) en de outcome van die professionelere productie (het wat waar Glanzen voor waarschuwt). Zijn de plechtigheden van Wayn Traub, de algehele verschuiving van tekst naar beeld of de toegenomen aanzoeken aan de lach op de Vlaamse scène, signalen van een grotere drang tot beroezing, tot in slaap willen sussen? Ikzelf zie daar meer een poging van vele makers in om de veranderende wereld 'op eigen voorwaarden' — net als alternatief voor tv — te vertalen naar een breder publiek. Het is zo makkelijk negatief doen.

Veel prikkelender is in Glanzen de positieve formulering van waar De Buysser en co. het theater naar willen zien reiken, al is dat veel moeilijker vast te prikken. In het tweede bedrijf, waarin Eggers en Van den Eede twee pluchen carnavalspakken aantrekken om Schiffer en Copperfield een duif en een konijn te doen spelen, noemt de laatste hun podium 'de lege, wenselijke ruimte'. In plaats van een plek voor 'berekening en meedogenloze mechaniek' wordt dat podium een vrijplaats voor 'mogelijkheden', voor het verlangen naar een zekere utopie. Alleen in zulke onmogelijk grote termen wil De Buysser erover spreken, om de invulling ervan open te houden. Waar het hem om draait? Het dichtste bij de verwoording van die utopie komt de vader van Copperfield in het vierde van zeven bedrijven. 'De tijd waar de rechtvaardigheid en de waarheid samen zullen spelen als de leeuw en het lam. Het verlangen naar dat idee wil ik onze kinderen geven. Een goed oog hebben die nodig. Een warm goed oog. Niet dat oog hier van de spotlights, net die duivelsblik hier, die perverse glitter. Een goed oog waarmee je de tijdloze rechtvaardigheid kunt zien. De gebeurtenis van de rechtvaardige waarheid!' Zelfs oude CVP'ers zouden het niet meer zo idealistisch durven formuleren, maar het gaat de filosoof in De Buysser dan ook niet om een religieuze ethiek. Integendeel: de overlevering-aan-zichzelf van Schiffer en Copperfield tegenover hun afwezige bazen van de Naamloze Vennootschap, lijkt die van de mens tegenover God. Diens strenge oog is niet meer. Waar dan voor gaan? Voor een doortocht voorbij de valse schijn 'naar een waarachtiger bestaan', zo formuleert pa Copperfield het. Al kan hij zich dat zelf moeilijk voorstellen:

'Een tijd buiten de tralie van deze tijd. Een tijd waar handen werken, strelen, groeten en spelen. En wij zullen weten: dit is ons eigenlijke thuis. Hier bevrijdt het goede zich uit de verstrengeling van het kwade. Hier is de schoonheid ongeschonden. Dan zal alle glans doorbroken zijn en ben je omhelsd door het wezen van de werkelijkheid.'

Wat theater volgens Glanzen moet overleveren is het 'verlangen' naar deze onvatbare utopie van het goede, het eeuwige, het ware. Die ideële trojka klinkt dan wel alsof je drie eeuwen terug in de tijd gekanonneerd wordt, maar het gaat De Buysser vooral om het aansteken van de lont. En die is juist heel eigentijds, want ze heeft met twijfel te maken. Wat De Buysser sinds Het Litteken Lip van 2001 met Lampe geprobeerd heeft, is twijfel zaaien door stokken in de wielen van de vanzelfsprekendheden te steken. Met zijn vervormde neologismen, met de rare boodschappen van knecht Lampe, met het verwarren van de tijd. En met één doel, hier door pa Copperfield kort samengevat als: 'onze kinderen moeten de wereld waarin ze leven langzaamaan vals en twijfelachtig beginnen vinden, en dat wekt in hen dat verlangen'. In plaats van kant-en-klare en affe producten (showtoestanden of politieke stellingen) af te leveren, stelt Glanzen dus voor dat het theaterbedrijf zijn klanten in hun aangenomen existentiële verworvenheden bevraagt. Welke voorstelling doet dat niet, kun je vragen. Wel, dat valt tegen. Glanzen maakt van veel ander theater een geroezemoes in de kantlijn: over de anekdotiek van de liefde of het gezin, over vriendjes worden met 'de ander' of over de grap van de vervreemde kleine man. Lampe en De Koe daarentegen prikkelen zo sterk omdat ze met dit theater terug een alternatief voor het postmoderne, kleine en vaak cynische perspectief aandurven. Ze mikken weer hoog: naar grote Denkbeelden, verre Idealen en complexe Paradoxen, zoals de status van de Werkelijkheid, de mogelijkheid van het Meer en de zin van het Leven, bijvoorbeeld in een heel concrete jeugdherinnering van ma Schiffer waarin ze op haar fietsje in de tuin overvallen wordt door de Eenzaamheid. Het gaat als een plumeau zo frivool over mijn verstofte mentale meubilair dat ik besef: in plaats van steeds te debatteren over de financiële en organisatorische huishouding van het bedrijf, moesten we dat eens meer doen over de tanende metafysica van zijn producten.

De kluts gevonden

Dat Glanzen met deze hoge inzet raak treft, doet het wel enkel omdat het een coproductie betreft. De stijl De Koe en de filosofie De Buysser vormen een 'yin-en-yang-teken' dat beide boven zichzelf doet uitstijgen. Wat De Koe wint, is inhoud. Hoewel het steeds een breed publiek is blijven trekken, werd de grens tussen ongemaskerd spel en laveloos gepalaver bijvoorbeeld in Utopie van het atoom wel heel erg dun. In Glanzen wordt het (soms te) vertrouwde pad van het Antwerpse collectief omgebogen en vindt het in de tekst van De Buysser een gefundeerde inhoudelijke basis voor zijn eigen spelfilosofie rond schijn en zijn. Lampe wint met het ervaren en aanstekelijke spelplezier tussen Eggers en Van den Eede dan weer aan theatrale overtuigingskracht. De Buysser bleek tot nog toe altijd interessanter als auteur dan als regisseur, maar weet dat verschil hier op te heffen door vanuit de inhoud ook zijn toneelbeeld door te denken. Niet alleen dat is dynamischer dan ooit, ook zijn tekst zelf wint aan spankracht. Binnen De kritiek van het vermogen overtreft Glanzen zowel Stranden (een reflectieve solo van De Buysser zelf, waarin een flirt tussen Leni Riefenstahl en Winston Churchill uitloopt op de bevraging van het ik) als Eekhoornbrood (een publieksvriendelijker dialoog over een huismoeder en een illegale vluchteling die toevallig in dezelfde verre hotelkamer terechtkomen, terwijl buiten een revolutie woedt). Het onderzoek van de hele trilogie naar zowel politiek, financieel als menselijk vermogen, naar hoe een nieuw begin te maken, lijkt hier veel minder te hebben moeten kiezen tussen moeilijk of verstaanbaar. Van de minder toegankelijke stukken in de tekst maken Eggers en Van den Eede gewoon een frats: ze spreken ze uit in een micro, gaan extra breed gesticuleren of luider debiteren. De Buysser krijgt zo zijn inhoud gecommuniceerd voor wie die wil horen, terwijl anderen net zo goed genieten van hoe het gezegd wordt. De naïviteit waarmee De Koe speelt, geeft Lampe een nooit eerder geziene concreetheid.

Tegelijk verrijken hun gewenste intimiteiten in hoge mate de basistegenstelling in Glanzen tussen illusie en werkelijkheid. Van zoveel kanten worden beide grootheden bekeken (door het natuurlijke spel, in de verkleedpartijen, bij de bediscussieerde platonische illusie-idee van een werkelijke boom, in de bevraging van fantasie, door de goocheltrucs, in de algehele twijfel van Schiffer en Copperfield of ze wel echt bestaanÂ…) dat die tegenstelling zich gewoon opheft in één grote verwarring. Ook bij jezelf voel je die twijfel waar De Buysser op uit is, zachtjes binnensluipen: het basisspel van theater met waarachtigheid en leugens wordt dat van de hele wereld. Want niet alleen De Koe en Lampe gaan in deze coproductie onherkenbaar in elkaar op, dat doen ook de betekenisgevende contrasttermen die vandaag sterker dan ooit ons bestaan structureren: voor of tegen, Waal of Vlaming, moslim of niet. Niet dat Glanzen het daar concreet over heeft, maar wel in principe. De vaste cognitieve posities versmelten, en in de mallen Schiffer en Copperfield vloeien zowel negatieve kritiek als positieve propositie rond ons theater zo samen dat beide celebrities niet meer te herleiden vallen tot het goede of het slechte kamp. Van een goed begin gesproken. Zo hoog zou meer theater moeten mikken: de vaste grond van onder de autonome categorieën halen. En als de weg daarheen de coproductie is, de versmelting, dan moet het aantal partnerships voor voorstellingen nog maar eens verzesvoudigen. Want waar romantici waarschuwen voor een te grote onderlinge afhankelijkheid van organisaties, denk ik: net goed! Laat het theaterbedrijf maar netwerken, cofinancieren en samen overhead rationaliseren. Als het vanuit de juiste noodzaak gebeurt, krijgt zijn waar zoveel meer glans.

Glanzen reist tot 1 maart door heel Vlaanderen. Zie www.dekoe.be of www.lampesite.be

^ Terug naar boven
 

Reacties

Post new comment

The content of this field is kept private and will not be shown publicly.
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • No HTML tags allowed
  • Lines and paragraphs break automatically.

More information about formatting options

Als maatregel om geautomatiseerde spamrobotten tegen te gaan, vragen wij u het huidige jaar in te vullen. Op die manier kunnen we uw bericht onderscheiden van spam.
By submitting this form, you accept the Mollom privacy policy.