Een menselijker alternatief voor Europa

Door Robbert van Heuven, op Fri May 23 2014 07:11:22 GMT+0000

Politici twijfelen niet. Dat mogen ze niet van ons. Daarom verdraaien ze graag de geschiedenis en verkiezen ze uiteindelijk een abstract systeem boven het reële lot van mensen. Voor waarheid en vooruitgang zijn slachtoffers nu eenmaal onvermijdelijk. Theater daarentegen levert wel de (democratische) mogelijkheid om twijfel, menselijkheid en alternatieven te tonen. Om over onze toekomst na te denken is het theater een vrijere ruimte dan de politiek, zo tonen Angst en Dantons dood.

De conservatieve filosoof Thierry Baudet heeft een duidelijke vijand. Dat zijn de politici die de Nederlandse soevereiniteit aan Europa hebben verkocht. Maar hij heeft ook niet zoveel op met kunstenaars, die zich, net als Europa-gerichte politici, te zeer afkeren van de ’oikos’, het eigene, zoals hij dat noemt. Beiden zijn te veel op zoek naar wereld die er (nog) niet is, en te weinig met die waarin het Volk nu moet leven.

61_vanheuven_ Dantons dood, Toneelgroep Amsterdam.jpgBaudet is aanvoerder van het Burgerforum: een groep van 63.000 bezorgde Nederlandse burgers die met lede ogen toeziet hoe hun land steeds meer bevoegdheden aan Brussel overdraagt. Deze winter mocht het Burgerforum komen inspreken in de Nederlandse Tweede Kamer. ‘Onze bevolking staat op het punt haar zelfbeschikking te verliezen’, sprak Baudet daar dreigend. En even later: ‘U heft uzelf op. Maar daartoe heeft u het recht helemaal niet. Want de soevereiniteit ligt uiteindelijk bij ons, bij het volk. U bent slechts de vertegenwoordiger van het volk. En u kun niet iets weggeven dat u niet bezit.’ In diezelfde toespraak beschreef Baudet ook de geschiedenis die leidde tot de Nederlandse soevereiniteit wat betreft de grenzen en het budgetrecht van de Tweede Kamer.

Of beter: Baudet leek die geschiedenis te beschrijven. Historicus Jan Dirk Snel toonde al snel aan dat de filosoof ze uit zijn duim had gezogen. Of dat hij ze in ieder geval behoorlijk had verbogen om zijn punt over een historisch bepaald soeverein volk te kunnen maken. ‘Wat Baudet verdedigt’, schreef Snel, ‘is een constructie van eigen makelij…’

Zwart-wit boven grijs

Dat het verleden wordt herschreven in dienst van een ideologisch punt, is natuurlijk niet nieuw. De geschiedenis staat bol van pogingen om historische mythes te construeren die bedoeld zijn om een Volk, een Natie of een Ideologie te legitimeren. Historicus Tony Judd maakt in zijn boek Denken over de twintigste eeuw (met co-auteur Timothy Snyder) een onderscheid tussen ‘herinneringen’ en ‘geschiedenis’, of het verschil tussen een geconstrueerde en een feitelijke geschiedenis. ‘Het is gevaarlijk’, schrijft hij, ‘om de herinnering de plaats van de geschiedenis te laten innemen. De geschiedenis neemt per definitie de vorm aan van een voortdurend herschreven en een aan oud en nieuw bewijs getoetst verslag, terwijl de herinnering is afgestemd op openbare, niet-wetenschappelijke doeleinden, zoals een themapark, een gedenkteken, een museum, een gebouw, een televisieprogramma, een gebeurtenis, een dag of een vlag. Dat soort uitingen van de herinnering aan vroeger zijn per definitie incompleet, beperkt en selectief, en degenen die daar hun werkelijkheid op baseren zijn ertoe veroordeeld dat ze vroeg of laat halve waarheden en zelfs onomwonden leugens gaan vertellen – soms met de beste bedoelingen, en soms ook niet. In beide gevallen kan hun versie niet de plaats van de geschiedenis innemen.’

We huren daadkrachtige politici in die ons Grote Verhalen vertellen en de geschiedenis vervalsen.

Toch herschrijven politici het verleden aan de lopende band. Niet alleen Baudet doet dat. Terecht merkt hij op dat voorstanders van een groter Europa regelmatig schermen met de twee Wereldoorlogen. ‘Door uw Euroscepsis riskeert u een nieuwe oorlog’, zo krijgen tegenstanders dan voor de voeten geworpen. Een geconstrueerde geschiedenis – ook die van de Europese Unie – is immers zelden grijs, maar vrijwel altijd zwart-wit, omdat de constructeur ervan een ideologisch punt wil maken. Daarmee wordt de geschiedenis tot een moralistische parabel over goed en kwaad – een ‘conté moral’, aldus Judd– waarin het eigen gelijk gestaafd wordt met ‘geschiedkundige feiten’.

In die fictieve reconstructie van de geschiedenis gaat de burger overigens niet vrijuit. Wij zitten niet per se op de genuanceerde, complexe versie van de geschiedenis te wachten. Zeker niet binnen een politiek kader. We willen immers graag daadkrachtige politici die ons Grote Verhalen vertellen en herinneringen ophalen aan een fictief verleden dat ons aan de juiste kant van de geschiedenis plaatst. We huren ze in, kortom, om de geschiedenis te vervalsen.

Verschoond verleden

Misschien kun je het de politici dus niet verwijten, maar door de geschiedenis voor te stellen als een per definitie incompleet verhaal over goed en kwaad, wordt voorbij gegaan aan het grillige en toevallige karakter ervan. Dat toont historicus Christopher Clark meesterlijk aan in zijn Sleepwalkers, een reconstructie van de rommelige aanloop naar de Eerste Wereldoorlog. Clark observeert geen daadkrachtige Naties die voor Volk en Vaderland de oorlog in marcheerden, maar twijfelende bureaucraten die geen grip lijken te krijgen op de snel veranderende werkelijkheid om hen heen. Het boek lijkt daarmee in tegenspraak met de frisgeboende goed-fout-geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog die zich in ons collectief geheugen heeft genesteld. Ergens in de loop van de tijd worden twijfelende en prutsende beslissingsmakers blijkbaar schoongewassen tot doelgerichte en moreel heldere politici. Een beeld waarmee zittende politici vervolgens om de oren worden geslagen door mensen als Baudet: die mannen van vroeger, dat waren nog eens echte kerels. Populistische politici die zich graag spiegelen aan de herinnering aan een daadkrachtig verleden, zoals Mark Rutte, Geert Wilders en Bart De Wever, spelen die rol van sterke man maar al te graag.

61_vanheuven_ Dantons dood, Toneelgroep Amsterdam 4.jpgMet al die daadkracht verdwijnen echter twee nuttige zaken uit de publieke ruimte en het politieke debat: de mens die het begin en het eindpunt zou moeten vormen van een Verhaal, en de openheid voor alternatieve Verhalen.

Volgens Judd (die daarin Isaiah Berlin parafraseert) zou de politicus voortdurend moeten reflecteren op de mogelijke, werkelijke en menselijke gevolgen van het beleid. Zo voorkomt hij ideologische tunnelvisie. ‘[Van Berlin is] de geheugensteun dat elke politieke keuze werkelijke en onvermijdelijke kosten vergt. (…) Elke beslissing, ook elke juiste beslissing, zorgt ervoor dat je bepaalde mogelijkheden voorbij laat gaan: je ontneemt jezelf de macht bepaalde dingen te doen, waaronder dingen die zeer de moeite waard hadden kunnen zijn. Er zijn kortom keuzes die we terecht maken, maar die leiden tot het verwerpen van andere keuzes, waarvan we de voordelen niet uit het oog mogen verliezen. Net als veel andere gebieden leiden zinvolle beslissingen in de echte wereld van de politiek tot echte winst en verlies.’ De vraag is of de politiek altijd in staat is om die menselijke gevolgen in het oog te houden. En zelfs of ze dat nodig acht: wat is een mensenleven als je het gelijk van de geschiedenis aan je kant hebt?

Gehakte spaanders

In de voorstelling Angst van Braakland/ZheBilding (regie: Stijn Devillé) worden de verliezers in de echte wereld verbeeld door een grote groep zwijgende figuranten. Zij zijn de groeiende massa armen op het plein, die als gevolg van de economische crisis soep komen halen bij journalist en activist David, de zoon van de Belgische premier. Door zijn werk met de armen wordt David dagelijks geconfronteerd met het beleid van zijn vader, die klem zit tussen de falende banken die zijn begroting hebben leeggezogen en een snoeiharde, neoliberale Eurocommissaris die bezuinigingen wil zien om het bijna failliete België te redden. Pas aan het slot beseft de premier dat hij voor zijn soep etende volk helemaal geen daadkrachtige beslissingen meer kan nemen. Hij heeft zijn macht en elk mogelijk alternatief beleid uit handen gegeven aan het bedrijfsleven en aan Europa.

‘Waar ben ik mee bezig / waar ben ik mee bezig / die vraag / rent me als een hond achterna/ hoe hard ik er ook van wegloop / eerste minister van mijn kloten / ik kom niet tot handelen / niet tot de essentie / is er eigenlijk iemand / die weet / wie ik ben / wat ik wil / waar ik voor sta?’

61_vanheuven_Angst, Braakland:ZheBilding & de Queeste.jpgIn de figuur van de rechtlijnige Eurocommissaris diept Angst de ontmenselijking van de Grote Verhalen en de teloorgang van de alternatieven verder uit. De meeste Grote Verhalen, zoals het (neo)liberalisme of het communisme, werden ooit ontwikkeld om het leven van de mens te verbeteren. Tot ze de mogelijkheid krijgen om politieke werkelijkheid te worden… Dan vertalen ze zich in regels die men de rest van de wereld wil opleggen om die deugdzame wereld dichterbij te brengen. Maar als dit verhaal verwordt tot een geschiedkundige conté moral, dan gaat de ingeslagen weg ineens gelden als de enige juiste, en worden twijfelaars zwakkelingen. Zo schetst Tony Judd in Denken over de twintigste eeuw hoe het communisme begon als een beweging die de positie van de arbeidersklasse daadwerkelijk wilde verbeteren, maar in het streven naar een menselijker wereld de mens uiteindelijk vergat. Judd: ‘[Er] ontstond na de bolsjewistische revolutie [in Rusland] een scherp en langdurig schisma tussen degenen die de menselijke gevolgen van hun eigen theorieën niet konden verwerken, en degenen voor wie diezelfde gevolgen – precies op de manier waarop ze verwacht hadden – lastig en daarom des te overtuigender waren: het is echt moeilijk en we moeten lastige keuzes maken, maar we kunnen niet anders dan slechte dingen doen, want dit is revolutie.’ Of, zoals de Eurocommissaris in Angst haar keuze voor neoliberale begrotingsdiscipline uitlegt: ‘Zelfs de communisten zullen inzien dat er geen andere opties meer zijn. Er is geen alternatief.’

Zo valt elke politieke beslissing te verkopen als Historisch Noodzakelijk. Het echte verlies, het echte lijden, de echte rijen bij de soepbus worden dan gehakte spaanders op weg naar een glorieuze toekomst, gerechtvaardigd door een zogenaamd ‘objectieve historische blik’. Alternatieven worden genegeerd. Zij passen niet binnen het goed-fout-schema.

_(!! Nvdr: bekijk onderaan dit artikel 2 video-discussies van R:VA, De Zendelingen en LAK over Angst) _

Na de revolutie de verstarring

Hoe kies je een systeem dat recht doet aan de menselijkheid van eenieder die onder dat systeem moet leven?

De voorstelling Dantons Dood van Toneelgroep Amsterdam (regie: Johan Simons) toont precies die zichzelf versterkende historiserende cirkel tussen volk en bestuurders. Na de Franse Revolutie van 1789 komen twee van de revolutionairen – Robespierre en Danton – tegenover elkaar te staan. Onder druk van een morrend volk komen ze gemakkelijk vast te zitten in een morele positie. Danton ziet de nieuw verworven vrijheid als absoluut. Die kun je niet inperken door moraal, al is dan de consequentie dat mensen ook het verkeerde kunnen doen. Robespierre ziet in het vacuüm na de revolutie juist een mogelijkheid tot het creëren van een nieuwe mens, deugdzaam en gematigd. Net als de bolsjewieken is Robespierre ervan overtuigd dat het menselijk maken van de samenleving geen zachtzinnig proces kan zijn, en dus zoeft de guillotine er ijverig op los. Robespierre, kortom, vertaalt menselijk leed in een politieke conté moral. Ook al is alle menselijkheid eruit verdwenen, toch heeft het nog steeds het welzijn van het Volk als uitgangspunt.

Simons situeert zijn Dantons Dood in een schoolgebouw met linoleum vloer, bestaande uit een bibliotheek en een gymzaal vol speeltoestellen. Door het gebouw zweven de geesten van Danton en Robespierre in 18e-eeuwse kleding. Alsof in de klassen waar de leerlingen overdag het Grote Verhaal van de Verlichting en de Revolutie als moreel sprookjekrijgen aangeleerd, ’s nachts de menselijke twijfel achter hun schoolboeken tot leven komt. Alsof de grillige historische werkelijkheid niet langer tussen de regels van de geschiedenisboeken gevangen wil blijven. De Robespierre van Gijs Scholten van Aschat is namelijk niet alleen maar rechtlijnig en hard, en de Danton van Hans Kesting ook geen flierefluitende libertair. Het zijn zijzelf, daartoe gedwongen door het volk, die van elkaar karikaturen maken, zoals de geschiedenis vervolgens ook zal doen.

61_vanheuven_ Dantons dood, Toneelgroep Amsterdam 3.pngIn werkelijkheid zijn het mensen die na de revolutie een nieuw moreel fundament moeten opbouwen en daar zichtbaar over twijfelen. Hoe kies je een systeem dat recht doet aan de menselijkheid van eenieder die onder dat systeem moet leven? Door je te beroepen op de wil van het Volk? Dat is een paradox waar ook Baudet intrapt. Je kunt je bij het opzetten van een systeem met aandacht voor de mens niet baseren op een term die de individualiteit van de mens ontkent. Het Volk bestaat niet. Dat wordt mooi duidelijk door de figuranten die Simons – vergelijkbaar met Devillé – over het toneel laat stromen: een eindeloze stoet van individuen met alle kleuren en uit alle lagen van de bevolking. Dit zijn – net als bij Angst – de mensen waar elke ideologie op gebaseerd is. Een ideologie die tegelijk weer ingrijpt op het concrete dagelijkse leven van diezelfde mensen. Terwijl je je bij zo’n grote diversiteit aan individuen eigenlijk niet meer kunt voorstellen dat je die in een enkel ideologische hokje zou willen of zelfs kunnen persen. Danton’s dood toont, net als Angst, politici zoals ze zich nooit aan ons zullen tonen en zoals we ze in de politieke arena misschien ook wel helemaal niet willen zien.

Theater als vrije ruimte

Het is daarom opvallend dat Baudet kunstenaars aanvalt als de vijanden van het Volk. Sommige kunstenaars lijken immers juist hetzelfde te willen als hij met zijn Burgerforum: de schaduwkanten tonen van een ontmenselijkt Groot Verhaal en aanduiden dat er wel degelijk alternatieven mogelijk zijn. Het lijkt er zelfs op dat de kunstenaars daarvoor een betere arena hebben gevonden dan Baudet. Hij sprak zich namens het Burgerforum uit in de politieke arena, waar, zoals gezegd, het gehistoriseerde grote gelijk schering en inslag is. De politiek kan immers niet om de politiek en het politieke gelijk heen denken. De kunstenaar kan dat wel. Voor het onderzoeken van menselijkheid en alternatieven is zijn arena veel beter geschikt.

61_vanheuven_Some use for your broken claypots, Christophe Meierhans © Giannina Urmeneta Ottiker.jpgEr zijn genoeg kunstenaars bezig met het onderzoeken van alternatieven. Wunderbaum onderzocht in De komst van Xia andere mogelijke bestuursvormen en Christophe Meierhans dacht in zijn project Some use for your broken claypots zelfs een compleet nieuw politiek systeem uit, gebaseerd op diskwalificatie van politici en zonder partijen. Opvallend in Meierhans’ performance is dat het publiek over die nieuwe democratie al snel kritische vragen gaat stellen die we over ons eigen democratische systeem niet (meer) stellen. De voorstellingen van Simons, Devillé, Meierhans en anderen bieden ons de vrije ruimte om achter en voorbij het gekende systeem te kijken, omdat de kunstenaars niet noodzakelijkerwijs een politiek, historisch gelijk hoeven te verdedigen.

Het probleem is dat Baudet democratie beschouwt als iets ‘af’ dat tegen Eurofielen beschermd moet worden. Volgens socioloog Willem Schinkel is democratie juist als een nooit eindigend project en moeten burgers die vrije ruimte continu onderzoeken op nieuwe mogelijkheden. Schinkel: ‘Democratie moet juist iets houden van een “uitstaan naar de toekomst”, van een “nog-niet-karakter”. (…) Democratie is een medium van experimenteren dat een volk met zichzelf doet. Het volk is onzichtbaar, het kan alleen in de democratie zichtbaar worden. Dus moet het experimenteren zich elke keer verkleden, zich omdraaien en weer voor de spiegel van de politiek staan. Dat zal steeds opnieuw moeten gebeuren. Als democratie dat niet heeft, dan heb je al heel snel een vorm van anti-democratie.’

Het theater heeft een voorsprong op de politiek, net omdat het de mogelijkheid heeft de democratie uit te stellen

Door zichzelf vast te pinnen op een historisch bepaalde volkssoevereiniteit, doet Baudet hetzelfde wat hij de politici en kunstenaars verwijt: hij miskent het eigene aan democratie. In kunstenaars zou hij geen tegenstanders, maar medestanders moeten zien. Het theater heeft een voorsprong op de politiek, net omdat het de mogelijkheid heeft de democratie uit te stellen, het huidige systeem te bevragen en in de publieke ruimte alternatieven te wegen waarin de mens centraal staat. Christophe Meierhans is ongetwijfeld sneller bereid dan Mark Rutte om met Baudet te zoeken naar een menselijker alternatief voor Europa, en dat dan uit te proberen in de vrije ruimte van het theater.

Robbert van Heuven is theaterjournalist. Hij schrijft onder meer voor het dagblad Trouw en podiumtijdschrift TM.

ANNEX: dialogische kunstkritiek

R:VADe Zendelingen en LAK experimenteren met nieuwe audiovisuele en dialogische vormen van kunstkritiek. Ziehier 2 discussies over de voorstelling Angst, en over de relatie theater & politiek: