De kritische macht van de kleine uitgeverijen

In een literair klimaat waarin de grote concernuitgeverijen steeds meer eenvormigheid van de persen doen rollen, is een nieuwe rol weggelegd voor kleine, onafhankelijke uitgeverijen. Hoe timmeren zij aan hun culturele, symbolische en economische profiel? We vroegen het aan de uitgevers van het balanseer, IJzer, Perdu en Voetnoot, en doen een voorstel voor de uitbouw van een parallel circuit voor de commerciële en de onafhankelijke uitgeverij.

De afgelopen twee jaar waren er nogal wat verschuivingen in het uitgeversveld. Weekblad Pers Groep (WPG), de grootste concernuitgeverij in het Nederlandse taalgebied, kocht begin 2010 met Lannoo de uitgeverijen van het concern PCM, met daarbij onder meer Meulenhoff/Manteau en A.W. Bruna. In bedrijfstaal was dat voor WPG een succesvolle onderneming: het werd marktleider in Vlaanderen en zag zijn omzet stijgen met 38 procent. Ter vergelijking: voor het begin van de concernvorming bij uitgeverijen was een stijging van 5 à 6 procent het streefdoel. Intussen heeft WPG niet stilgestaan: Meulenhoff/Manteau werd begin 2011 omgedoopt tot De Bezige Bij Antwerpen. Die andere De Bezige Bij zal dan weer per 1 januari 2012 fuseren met Balans, terwijl A.W. Bruna moet fuseren met De Arbeiderspers.

48_Demeyer_Nina_Vandeweghe.jpgZulke bewegingen zijn in feite niets nieuws. Ze passen in de omvangrijke evolutie naar grootschaligheid die zich al zeker dertig jaar doorzet in het boekenvak. Die grootschaligheid is bedrijfsmatig, niet literair. Een literaire uitgeverij zoekt idealiter telkens een precair evenwicht tussen een cultureel-symbolisch en een economisch kapitaal, maar bij deze concerns is de balans doorgeslagen naar winstmaximalisatie. Dat is niet eens zo onbegrijpelijk, aangezien de concernuitgeverijen verantwoording moeten afleggen aan aandeelhouders die weinig geven om de literaire waarde van de uitgegeven boeken. Dat neemt niet weg dat die evolutie nefast is voor de diversiteit en de kwaliteit van de literatuur. Al meermaals is erop gewezen dat de focus komt te liggen op sellers, makkelijk te verkopen genres als thrillers en op de auteur als merknaam. Grootschaligheid gaat gepaard met eenvormigheid.

 

 

Niet in de marge

In het gedesillusioneerde verslag van zijn redacteurschap bij Meulenhoff/Manteau, Zij zijn niet van Jeremia (2005), spreekt Marc Kregting de hoop uit dat ‘serieuze auteurs en redacteuren’ de grote uitgevershuizen ‘links laten liggen en eigenhandig een correctie op de markt plegen door gespecialiseerde, werkelijk onafhankelijke huisjes te beginnen’. Eerder al schreef oud-uitgever Laurens van Krevelen in De stijl van de uitgever (2002) dat het ‘hoog tijd wordt voor de komst van kleinschalige, creatieve en wendbare uitgevershuizen’. Die zouden een ‘kritische tegenmacht’ moeten vormen tegen de groeiende economische macht van de concernuitgeverijen.

Grootschaligheid gaat gepaard met eenvormigheid

Beter lijkt het mij te spreken over de ‘kritische macht’. Door die uitgeverijen al bij voorbaat in een tegenpositie in de ‘marge’ te plaatsen, lijkt het alsof zij geen autonoom bestaansrecht zouden hebben en per definitie thuishoren in de schaduw van de grote uitgevershuizen. Zo wordt de machtspositie van de concernuitgeverijen impliciet alleen maar bevestigd, en dat doet de markt al genoeg. Daarbij hangt rond een term als ‘marge’ een mystieke waas van rebellie die eerder puberaal dan effectief is. Willen we de creatieve uitgeverijen dus niet meteen onschadelijk maken, is het nodig om ze affirmatief te benaderen.

Passie versus cultuur

Zelf profileren de kleine uitgeverijen zich als huizen die drijven op idealisme en passie voor het boek. Dat blijkt uit de gesprekken die ik voerde met vier uitgevers: Kris Latoir van het balanseer, Willem Desmense van IJzer, Arnoud van Adrichem van Perdu, en Anneke Pijnappel en Henrik Barends van Voetnoot. ‘Van de gedrevenheid en de goesting moet het komen’, zegt Latoir. Die uitgevers gaan uit van hun eigen passies, interesses en leesdrift. ‘En niet’, aldus Pijnappel, ‘van de gemiddelde toekomstige lezer, of de markt, wie of wat dat ook moge zijn. We zullen nooit een boek uitbrengen dat we slecht vinden, maar waarvan we vermoeden dat het een bestseller “zou kunnen worden”.’ Het doel is goede boeken uitgeven, niet rendement. Tegelijk moeten de geselecteerde boeken, in de woorden van Desmense, ‘niet alleen voor onszelf interessant zijn, maar ook zo bijzonder dat we vinden dat honderdduizend mensen ze zouden moeten lezen’.

De kleine, onafhankelijke uitgeverijen verzekeren de diversiteit en polyfonie van de literatuur

Hoe oprecht die passie ook klinkt, je claimt er nog geen culturele waarde mee. Hetzelfde geldt voor de positionering van de kleine, onafhankelijke uitgeverijen. Van Adrichem: ‘Onze positie in het literaire veld is wellicht bescheiden, maar zeer herkenbaar, zeker voor wie ook houdt van experimentele literatuur.’ In tijden waarbij enige pretentie in de kunsten meteen botst op verdachtmakingen van elitarisme en arrogantie, is het begrijpelijk dat deze uitgevers zichzelf relativeren. Die retorische verdrukking biedt aan de grote concernuitgeverijen de ruimte om, ironisch genoeg, zichzelf wél culturele waarde toe te dichten. Ook zij profileren zich als passionele liefhebbers van literatuur, waarbij het hen steevast lukt economische kwantiteit voor te stellen als culturele kwaliteit. Hun bekendste en best verkopende auteurs presenteren de grote uitgeverijen steeds als bewijs van hun verfijnde culturele smaak. Die ‘consacratie’ wordt (onbewust) gesteund door de commerciële literaire prijzen (AKO, Gouden Uil enzovoort).

Het is natuurlijk niet zo dat alle goed verkopende auteurs povere literatuur voortbrengen. Wel is het zo dat de overgrote meerderheid ervan bijna zonder uitzondering romans schrijft met een hoog realiteitsgehalte, een sterke mate van voorspelbaarheid en een geprononceerde verstrooiingsgraad. Zulke boeken liggen nu eenmaal goed in de markt, en worden bijna exclusief onder de aandacht gebracht.

Polyfonie

Daar manifesteert zich de culturele rol en functie van de kleine, onafhankelijke uitgeverijen. Zij brengen een noodzakelijke aanvulling op wat is, verrijken de literaire cultuur en bieden een verruimd begrip van wat literatuur is en vermag. Ze verzekeren met andere woorden de diversiteit en polyfonie van de literatuur, door die auteurs, genres en tradities te publiceren die zichzelf niet kunnen manoeuvreren op de ondoordringbare wegen van de markt.

Vooral het verloren literaire genre van het essay krijgt in die uitgeverijen weer een plek. Zeker IJzer maakt zich verdienstelijk, met essays van onder meer Roland Barthes en Fernando Pessoa. Voetnoot is dan weer ontstaan uit de vaststelling dat Baudelaires kunstkritieken nog niet vertaald waren. Via het onderdrukte genre van het kortverhaal laat Voetnoot de lezer in contact treden met de steeds meer vergeten Franse literatuur, de hier vrijwel onbekende hedendaagse Tsjechische letteren en de raakvlakken of discrepanties tussen de Vlaamse en Waalse letterkunst. Dat doet ze respectievelijk in de reeksen Perlouse, Moldaviet en Belgica. Elk boekje bevat een kortverhaal en een nawoord dat tekst en auteur literair-historisch plaatst.

Het balanseer, IJzer en Perdu ontsluiten voornamelijk die passages uit de literatuurgeschiedenis die door hun onconventionele en vernieuwende karakter vandaag minder weerklank vinden. Het balanseer heeft met de publicatie van oud en nieuw werk van C.C. Krijgelmans, Daniël Robberechts en Willy Roggeman – drie van de belangrijkste prozavernieuwers uit de jaren 1960 – voor een continuering van hun werk gezorgd. IJzer en Perdu brengen beide werk uit de Europese en Russische avant-gardestromingen.

Een andere belangrijke functie van de onafhankelijke uitgeverijen is de publicatie van hedendaagse, experimentele en vernieuwende literatuur. Die is noodzakelijk om de taal en het denken van een cultuur dynamisch en vrij te houden. De drie laatstgenoemde uitgeverijen brengen alle experimenteel werk van hedendaagse, Nederlandstalige auteurs als Paul Bogaers, Pol Hoste, Lucas Hüsgen, Marc Kregting, Erik Lindner en Han van der Vegt.

Het bedrijf

Hoewel rendement niet hun doel is, zijn ook die kleine uitgeverijen bedrijven. Net als alle andere moeten ze manuscripten selecteren, redigeren, vormgeven, produceren, distribueren en promoten. Het is vooral op die eerste drie punten (het inhoudelijke werk) dat de kleine uitgeverij het verschil kan maken. Die maken hun uitgaven herkenbaar – zoals Van Adrichem al aangaf. Inzake redactie en vormgeving blijven deze kleine uitgeverijen trouw aan het cottage-industry-model: een bijna ambachtelijk proces waarbij de manuscripten meermaals worden nagelezen en aangescherpt met de auteur. Ervoer Lucas Hüsgen bij Vantilt, aan wie hij zijn essayboek Nazi te Venlo eerst had aangeboden, dat de uitgever ‘naar het zich uiteindelijk liet aanzien het boek eventjes heeft doorgescrold, en het vervolgens heeft afgewezen’, dan was hij ‘getroffen door de enorme toewijding’ die de tekst bij het balanseer te beurt viel.

48_Demeyer_Nina_Vandeweghe2.jpgOp het vlak van productie, distributie en promotie is de kleinschaligheid en lagere economische daadkracht in het nadeel van deze uitgeverijen. Geld om advertenties in veelgelezen kranten en tijdschriften te plaatsen is er niet, en de belangstelling in de pers wordt steeds minder. Desmense: ‘Ook de tijdschriften en de kranten hebben hun doelgroep. Die willen ze niet zozeer verrassen, maar bedienen. De grote media zijn snel bang dat hun publiek niet zit te wachten op boeken van kleine uitgeverijen. Een grote vergissing overigens.’ De boeken van de kleine uitgeverijen worden, met andere woorden, ‘beoordeeld en veroordeeld alvorens de recensenten het gelezen hebben’ (Latoir). Wel krijgen hun uitgaven uitgebreide besprekingen in de literaire tijdschriften.

Het voordeel van twee circuits is dat alle lezers gelijkwaardig bediend kunnen worden

Het tweede grootste probleem is de distributie, ofwel: de boekhandel in raken. Ketens als Selexyz en Standaard Boekhandel, met hun grote aandacht voor bekende namen, thrillers en bestsellers, verkleinen de ruimte van de zelfstandige boekhandel en verhinderen de weg van ‘het andere boek’ naar de winkelrekken. Verder voelen de boekhandels, ook de ketens, zich vandaag bedreigd door verkoopsites als bol.com.

Ondanks die grotere concurrentie ‘spelen de zelfstandige boekhandels niet in op een breed assortiment’, zegt Pijnappel. ‘Ze zouden net die boeken moeten aanbieden die niet overal te koop zijn. Onze grootste afnemer in Nederland is bol.com, en dat wil toch wat zeggen over de boekhandel.’ Naar het model van de jaren 1980, toen fondsmarketing een succesvolle strategie was waarbij boekhandelaars en uitgevers onderlinge afspraken maakten, lijkt het erop dat de kleine zelfstandige boekhandels en de kleine zelfstandige uitgeverijen de commerciële handen weer in elkaar moeten slaan.

Twee circuits: EEN voorstel

Toch is er meer nodig om de literaire pluriformiteit in de toekomst te handhaven en zelfs wijder te spreiden. Het zou gemakkelijk zijn om literatuurliefhebbers op te roepen enkel nog boeken van de kleine uitgeverijen te kopen, naar analogie met de terugkeer naar de kleine boer als verzet tegen de bio-industrie. Maar zo simpel is het niet. Een groot aantal kwaliteitsauteurs is bij grote uitgeverijen gehuisvest voor de lucratievere contracten en de effectievere promotiegelden. Toch kunnen we niet anders dan vaststellen dat de concernuitgeverijen de weg van het geld en de consumptieve literatuur hebben gekozen, en moeten we ook voor eens en altijd beseffen dat die evolutie onomkeerbaar is. Daarom lijkt het mij noodzakelijk dat er zich in de boekenwereld twee gelijke circuits vormen. Het ene bestaat uit de concernuitgeverijen die de markt bedienen, het andere uit kleine, onafhankelijke uitgeverijen die zich richten op literaire polyfonie en vernieuwing. Om dat ‘tweede’ circuit mogelijk te maken, zijn wel enkele stappen nodig:

  • Een economische injectie die de uitgeverijen steunt in zowel hun productie- (drukken en vormgeven) als hun redactieproces.
  • De uitbouw van een logistiek-technologische organisatie die zich specifiek toespitst op de noden en problemen van kleine, zelfstandige uitgeverijen. Die organisatie helpt relaties met zelfstandige boekhandels uit te bouwen en te onderhouden, en helpt met de distributie en marketing van boeken. Zij werkt overkoepelend, terwijl de kleine uitgeverijen zelf onafhankelijk blijven en hun eigen vormgeving behouden. Vanzelfsprekenddringt zich hier – in overleg met de uitgevers – ook de weg van de digitalisering op.
  • De beroepsdeontologie van kwaliteitsvolle auteurs en redacteurs om afscheid te nemen van de concernuitgeverijen, en hun manuscripten aan te bieden aan bestaande kleine uitgeverijen (of er zelf een op te starten).
  • De uitbouw van een kritische receptie. Daar spelen natuurlijk de literaire tijdschriften een rol in, maar om zeker ook het grote publiek te bereiken, zouden bijvoorbeeld de literatuurbijlagen van de kwaliteitskranten weer opgewaardeerd moeten worden. Zij zouden dan wekelijks exclusief recensies brengen uit dat circuit, terwijl er op andere dagen over consumptieve boeken kan worden bericht.

Het voordeel van twee circuits is dat alle lezers gelijkwaardig bediend kunnen worden, zonder verder gekakel over verloedering enerzijds en volksverheffing of elitarisme anderzijds. De lezer beslist, en kan makkelijk variëren tussen beide. Tegelijk bestaat het gevaar dat de circuits en hun lezers volledig losgezongen raken van elkaar. Daarom is het belangrijk dat het tweede circuit de maatschappelijke noodzaak en relevantie van literatuur steeds expliciet maakt. Ook zouden in de receptie van beide circuits elkaars boeken besproken moeten worden, elk naar eigen gewoonte.

Een eerste, grootschalige financiële impuls zou van de overheid moeten komen. Daarmee verzorgt ze geen hobbyfinanciering. Ze maakt een politieke keuze voor vrijheid en diversiteit, maakt een einde aan de verdrukking van kennis en de intelligentsia door populisme en de vrije markt, en kiest voor een kritische massa die aantoont dat begrippen als waarde, winst en nut niet enkel economische termen zijn. Ook de universiteit moet een rol spelen: leden van de afdelingen Letterkunde zouden als deel van hun maatschappelijke dienstverlening hun kennis gratis moeten aanbieden aan verschillende media.

Aan de ene kant is dat plan realistisch: het houdt rekening met de opkomst van een nieuw, aangroeiend lezerspubliek, en met de wetenschap dat de tijd waarin literatuurliefhebbers zich louter en alleen om de tekst kunnen bekommeren, voorbij is. Wil er een klimaat bestaan voor een kritische massa, dan moeten wíj daar inspanningen voor leveren. Dat is aan de andere kant de utopie van het voorstel: de mogelijkheid dat iedereen structureel in contact kan komen met een diversiteit aan literaire uitingen waarvoor de creatieve uitgeverijen borg staan, en met een wijd verspreide receptie waarin aan dat werk recht wordt gedaan.

Hans Demeyer studeerde vergelijkende moderne letterkunde en literatuurwetenschappen; hij bereidt aan de UGent een proefschrift voor over de rol en de innovatieve functie van het lichaam in de Nederlandstalige prozavernieuwing 1960-1970.

^ Terug naar boven
 

Reacties

Als kleine uitgever heb ik

Als kleine uitgever heb ik het betoog van Hans Demeyer met grote belangstelling gelezen. Wij zijn een uitgeverij precies zoals de ook in het stuk geciteerde Marc Kregting het zich wenst: een aantal jonge auteurs die zelf een kleinschalige uitgeverij hebben opgezet (zie www.uitgeverijnadorst.nl). Het is dan ook een hart onder de riem om Hans Demeyer hier een lans zien te breken voor de kleine uitgeverij. Wat werkelijk interessant is in literatuurland, speelt zich inderdaad meer en meer buiten de grote uitgeverijen af. Demeyer neemt met verve de degen op voor de kleine uitgeverij als vitaliserende kracht. Zijn betoog is helder en met vaart geschreven, en kenmerkt zich door een prettige overzichtelijkheid.

Helaas geldt dat laatste niet altijd voor de werkelijkheid. Mede vanuit mijn ervaring als kleine uitgever riepen meerdere beweringen in het bovenstaande stuk vraagtekens bij me op. In de eerste plaats de oproep aan ‘kwaliteitsauteurs’ om afscheid te nemen van concernuitgevers. Demeyer lezende, verwondert het haast dat alle auteurs nog niet bij een kleine uitgeverij zitten. Welnu, daar hebben ze doorgaans goede reden toe. Als auteur wordt je bij een grote uitgever simpelweg beter behandeld. Dat begint zelfs al bij het aanleveren van het manuscript: bij een grote uitgever kun je na maanden tenminste nog een door de administratief medewerkster ondertekend bedankbriefje verwachten, terwijl je bij kleine uitgevers vaak vergeefs op taal of teken wacht. Wordt je uitgegeven, dan krijg je fatsoenlijke royalty’s, wordt je boek fatsoenlijk vormgegeven, en heb je de beschikking over een uitgebreider instrumentarium voor de promotie van je boek. Bij kleine uitgevers is dat nog maar afwachten. Mijn eigen ervaring met een kleine uitgeverij in een andere tak van cultuur waren wat dat betreft tamelijk bedroevend. Toen ik bijvoorbeeld voorzichtig informeerde hoe het zat met eventuele royalty’s, werd dit verzoek met grote verwondering ontvangen: was het niet genoeg dat ik uitgegeven werd? En weliswaar was er persoonlijke aandacht van de desbetreffende uitgever, maar het speciale karakter van de kleine uitgeverij bleek verder vooral uit het feit dat ook de vormgeefster onderbetaald werd en dat het uiteindelijke boek op slecht papier in een zo minimaal mogelijke oplage op een POD-pers werd gedrukt.
Hiermee wil ik de integere spelers in het veld vanzelfsprekend niet te na komen. De door Demeyer aangehaalde uitgevers horen daar zeker bij (hoewel me van één uit het rijtje eerlijk gezegd ook een dergelijke exploitatieve benadering van auteurs bekend is; ik neem echter voetstoots aan dat hiervan bij het balanseer, Voetnoot en Perdu ten enenmale geen sprake is). Niettemin is het een feit dat een auteur bij lange na niet verzekerd is van een meer respectvolle behandeling bij een kleine uitgeverij. Onze eigen ervaringen hiermee waren voor ons mede aanleiding om het dan maar zelf (en beter) te gaan doen. En van auteurs kan in deze niet verwacht worden dat zij zich opofferen voor ‘de literatuur’. Dat is het paard voor de wagen spannen. Auteurs zijn de literatuur. En voor zijn werk en zijn (materiële) welbevinden is een auteur in veel gevallen en in veel opzichten domweg gewoon beter af bij een grote uitgever.

Ten tweede een kanttekening bij wat Demeyer schrijft over de boekhandel. Grote boekhandelketens als Selexyz en Standaard, zo schrijft hij, ‘verhinderen de weg van ‘het andere boek’ naar de winkelrekken’. Ere wie ere toekomt: onze eigen ervaring hiermee is linea recta omgekeerd. De enige boekhandels die het aandurven onze uitgaven in enigszins substantiële hoeveelheden in te kopen, zijn precies deze ketens. Kleine boekhandels (de goede opnieuw niet te na gesproken) wagen zich er niet aan of zijn hoogstens bereid titels in consignatie te nemen. En je krijgt te maken met verrassingen waar je bij de grotere, professionelere ketens niet snel voor hoeft te vrezen: boeken die zoek raken, verzonden bestellingen die niet worden betaald, ook niet na herhaaldelijk bellen. Voor ons was dit al aanleiding de kleine boekhandels maar helemaal links te laten liggen. Ook onze pogingen om met selecte lokale boekhandelaren ‘de commerciële handen’ ineen te slaan, zoals Demeyer voorstelt, leverden hoegenaamd geen respons op.

Ten derde roept Demeyer op om een logistiek-technologische organisatie specifiek voor de kleine uitgeverij. Die bestaat al, althans aan deze kant van de grens. Op www.boekenroute.nl kunnen bij de Vereniging Zelfstandige Uitgevers aangesloten uitgevers hun boeken aanbieden. Collectieve aansluitingen maken het mogelijk om ondanks de daar geldende wurgtarieven in het Centraal Boekenhuis te participeren. Ik moet er eerlijk bij zeggen dat zowel de zeer redelijke jaarcontributie van de VZU als het tarief van deze collectieven in ons geval (nog) teveel is. Maar goed, daar zijn we dan ook hyperunderground voor…

Ten vierde vraagt Demeyer om een financiële injectie van de overheid. Hier wordt zijn betoog wel zeer utopisch. De kans op een dergelijke injectie is in het huidige politieke klimaat, in Nederland althans, zo goed als nihil. Maar ook afgezien daarvan klinkt het een beetje gemakzuchtig om maar weer om geld te roepen. Natuurlijk zouden ook wij een flinke subsidie goed kunnen gebruiken, mijn God! En dat zal voor de meeste kleine uitgevers gelden. Maar nadenkend hoe dit dan vorm moet krijgen, rijzen er wel enige vragen. Gemeenschapsgeld moet immers verantwoord worden. Volgens welke criteria moet deze subsidie toegekend worden? Moet elke ‘andere’ uitgeefstem van overheidswege een douceurtje krijgen toegeschoven? Dat zou inderdaad twee gescheiden circuits creëren: een duur, door overheidsgeld instandgehouden reservaat van ‘alternative culture’, en een ‘buitenwereld’ van ‘commerciële’ cultuur. En ergens zal de toegang tot dit reservaat en het recht er te verblijven toch bewaakt en gecontroleerd moeten worden. Dat wil haast automatisch zeggen: directe of indirecte zeggenschap van overheidslichamen en subsidiecommissies in het uitgeefbeleid van ‘zelfstandige’ kleine uitgevers.

Tenslotte Demeyer’s oproep tot ‘uitbouw van een kritische perceptie’ voor uitgaven van kleine uitgeverijen. Deze woorden zijn me uit het hart gegrepen (goddank dan toch nog iets waar ik het mee eens kan zijn). Hier ligt misschien de crux van de zaak. Met onze literatuur gaat het in veel opzichten namelijk helemaal niet zo slecht als Demeyer schijnt te denken. Het aantal nieuwe titels dat jaarlijks op de markt komt – bij kleine én grote uitgevers – is dunkt me vele malen groter dan bijvoorbeeld in de jaren zestig. Ook relatief. Zelfs in die mate dat het aanbod voor één persoon niet meer bij te houden is (tenzij hij er fulltime voor betaald wordt). Daarbij is het aanbod zodanig versplintert dat hij het bestaan van veel uitgaven gewoon nooit te weten komt.
Hier is misschien een rol weggelegd voor Demeyer’s ‘kritische perceptie’. De kritische consument kan dunkt me best een gids gebruiken om hem op interessante uitgaven te wijzen. Van de dagbladen hoeven we wat dat betreft niet veel te verwachten. Dagbladen hebben als rol om nieuws te verslaan, niet om kleine uitgeverijen te ondersteunen: en uitgaven van kleine uitgeverijen zijn nu eenmaal geen nieuws totdat nadrukkelijk het tegendeel bewezen is. Waar is echter de blogger of het ezine of desnoods de literaire periodiek die nadrukkelijk het kleinschalige uitgeefcircuit volgt? Op dat punt lijkt me zeker een leemte te vullen. De consumenten voor kleinschalige uitgaven zijn er namelijk wel – meer dan vroeger, denk ik zelfs. Op de lange duur is, zeker wat betreft ‘elitekunsten’ als literatuur, de toekomst aan de kleine uitgeverij, die veel beter aan de steeds sterker gediversifieerde smaak van de kritische consument en zijn vraag om een onderscheidend product tegemoet kan komen. Daarvan ben ik overtuigd. De consument moet alleen de kans krijgen om kennis te nemen van het vele moois dat in de luwte van billboards en boekhandeltoptiens van de persen rolt.

Ondanks wat kleine kanttekeningen verheugt het me dan ook zeer om te zien dat rekto verso wat dit betreft een voortrekkersrol wil nemen. U kunt een recensie-exemplaar van onze eerstvolgende uitgave tegemoet zien!

Met vriendelijke groet,

Ruben van Luijk
Uitgeverij Nadorst
www.uitgeverijnadorst.nl

Post new comment

The content of this field is kept private and will not be shown publicly.
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • No HTML tags allowed
  • Lines and paragraphs break automatically.

More information about formatting options

Als maatregel om geautomatiseerde spamrobotten tegen te gaan, vragen wij u het huidige jaar in te vullen. Op die manier kunnen we uw bericht onderscheiden van spam.
By submitting this form, you accept the Mollom privacy policy.